Norden - Genealogie

Notities over de streek.

Namen van buurtschappen en plaatsen

Halvinkhuizen Op de Veluwe komen verscheidene nederzettingsnamen voor die eindigen op -huizen. De namen werden gegeven aan een kleine groep huizen waaruit later een buurt, buurschap of dorp ontstond, zie Beekhuizen. Het naamdeel Halvink- is ontstaan uit een persoonsnaam waaraan het achtervoegsel -ing werd toegevoegd. Afgaande op de vermelding Haluerinchusen uit het midden van de 12e eeuw was het de persoonsnaam Halver. Het achtervoegsel -ing had de betekenissen "behorende tot, in het bezit zijnde van". Halvinkhuizen werd dus genoemd naar een bezit/goed van Halver of van diens nakomelingen.

Hell Een goederenlijst uit het midden van de 12e eeuw maakt duidelijk dat het tegenwoordige Hell een oude samenstelling van het naamelement hel en loo is. De lijst vermeldt de plaats- of streeknaam Hello. Het element hel komt ook voor in de Veluwse namen Elburg (= Helberg), Helbergen, en in de namen als Helvoorde en Helveld. Hel had de betekenissen "dieper gelegen plaats, laagte" en is ontstaan uit de Germaanse vorm halja. Loo betekende "bos", zie Aperloo.

Hoef De veldnaam Hoef was oorspronkelijk een landmaat. Een hoef was ene gebied van 16 morgen; een morgen was op de Veluwe ongeveer 0.85 ha. De buurschapsnaam Hoef is wellicht afgeleid van een oude veldnaam, maar kan natuurlijk ook betrekking hebben op een hoeve, grote boerderij, waaromheen andere behuizingen werden gebouwd. Bij een veetelling in het jaar 1526 werd Hoef als buurschap geregistreerd.

Huinen Huinen ligt op een plaats waar veel archeologische vondsten werden gedaan. In het Huinerveld werd een grafveld uit de 8e of 9e eeuw ontdekt. Huinen is ook veel ouder dan de eerste vermelding in het archiefmateriaal, nl die uit 1313: Hunen. In een stuk dat 30 jaar later werd geschreven, wordt gesproken over "nieuwe grond" - een ontginning - in Hunen. Huinen behoort met Hunderen, Hunne (bij Deventer) en de waternaam Hunnepe tot de namen waarin de vorm hun(e), "veenkleurig, bruin", is overgeleverd, zie Hunderen. De streek Huinen werd genoemd naar de daar aanwezige veenachtige grond.

Koudhoorn Koudhoorn ligt in een langgerekt bekken tussen twee stuwwallen. De gemiddelde temperatuur is er iets lager dan in de nabije omgeving, wat o.m. blijkt uit het later op gang komen van de groei in de plantenwereld en uit het eerder gladworden van de weg in het koude jaargetijde, zie ook Kallenbroek en Koldenhove. Het naamdeel hoorn heeft betrekking op een langgerekt, hoornvormig gebied, zie Hoorn.

Krachtighuizen Na de verkoop van de uitgestrekte domeingronden aan de gemeenten in 1843 ontstonden er op de Veluwe nog nieuwe dorpen en buurschappen. Meestal waren het aanvankelijk buurten met armoedige huisjes en hutten. Ook Krachtighuizen bleef tot het begin van deze eeuw een armoedige buurt. De buurtnaam werd ontleend aan de naam van een oud goed. De naam van dat goed werd in 1325 genoteerd in de herkomstnaam Henric van Craftighusen. Deze naam is evenals het naburige Halvinkhuizen een samenstelling van een persoonsnaam - Craft of Kracht-, het achtervoegsel -ing (= in het bezit zijnde van) en het naamdeel huizen, "woonkern", zie Beekhuizen.

Nijkerk De naam Nijkerk ontstond omstreeks het begin van de 14e eeuw toen er in de parochie Putten een nieuwe kerk werd gebouwd. De vroegste vermelding komt uit 1313, een rekening uit 1333/34 vermeldt Nyenkercke. In 1413 behaagde het hertog Reinald IV om "Nykerck tot eene Stad te maeken". Het element nij, nieuw werd niet alleen voor een pas ontstane nederzetting gebruikt, maar ook ter onderscheiding van een al bestaande nederzetting(snaam).

Norden Al in de 12e eeuw was Norden de naam van een streek of buurschap. Omstreeks 1150 werd Northon (ook wel Northan) genoteerd, een lijst uit de 13e eeuw noemt Nordere. De betekenis van de naam was ongeveer "in het noorden (gelegen)". De aanleiding tot de naamsgeving was waarschijnlijk de ligging t.o.v. Putten, dat al vroeg een kerkelijk en bestuurlijk centrum was.

Nulde Nulde is een van de Noordveluwse buurschappen die in een schenkingsoorkonde van 855 worden genoemd. De schrijfwijze Niutlo, die ook in enkele latere stukken voorkomt, toont aan dat Nulde een met loo, "bos", samengestelde bosnaam was, zie Aperloo. Het eerste deel van de naam is ook overgeleverd in de streeknaam Nude. Nude is het lage gebied tussen Wageningen en Rhenen. De vorm n(i)ude ontstond uit het Germaanse niud, "moeras", "moerassige laagte".

Putten In weinig plaatsen op de Veluwe zijn meer archeologische vondsten gedaan dan in Putten. Bovendien is er niet alleen een vroege vermelding van Putten in het archiefmateriaal, maar de naam wordt zo vaak in het archiefmateriaal genoemd, dat duidelijk is dat Putten al vroeg een belangrijke nederzetting was en dat verscheidene eeuwen lang bleef. In een oorkonde van 855 staat de naam twee keer geschreven als Puthem. Daaruit blijkt dat de naam, evenals bijna alle vroege namen, is samengesteld uit twee elementen. Het bekende heim, "woonplaats" is het tweede element, zie Arnhem. Dat er in Putten inderdaat putten waren, is gebleken bij het opgraven van beschoeide putten en boomputten. In de jaren zeventig werd op een diepte van vier meter een boomput met een doorsnee van ongeveer drie meter opgegraven. Deze put, een uitgeholde stam van een eik, stond op een harde oerlaag. De naam Putten had ongeveer de betekenis "woonplaats bij de put(ten)".

Spriel Uit een goederenlijst van ca. 1150 blijkt dat Spriel behoort tot de grote groep van namen met het element loo, "bos", zie Aperloo. De lijst noemt Sprielo en Spriele. Een tijnsrol van 1326 noemt de buren van Spriel, en Spriels was dus toen een buurschap. Het eerste deel van de naam is waarschijnlijk spr(i)et, "boom, staak", of wellicht spruyt, "jong geboomte".

Steenenkamer De plaatsnaam Steenenkamer komt op de Veluwe twee keer voor. Steenenkamer is een woonkern in de gemeente Voorst bij Deventer en een gehucht ten westen van Putten. Van oorsprong is Steenenkamer een huisnaam of de naam van een goed. In 1545 kocht de stad Deventer het Buytenhuijs-goed of de Stenen Camer. In de buurt van Steenenkamer bij Putten komen de boerderijnamen Groot en Klein Steenenkamer voor, en er was een herberg met de naam Steenenkamer. Het Middelned. camere had naast de algemene betekenis "woning" ook enkele meer specifieke betekenissen, waaronde "bewaarplaats voor waardevolle goederen van de landheer".

Telgt De naam Telgt bestaat evenals de naburige namen Eekt en Speuld uit de naam van een boom en een zg. verzamelsuffix t. Het deel telg had in het Middelned. de betekenis "tak, loot", in Midden- en Oost-Nederland had telg ook de meer specifieke betekenissen "jonge eik", bijv. in namen als Telgendijk, Telgenkamp en Telgenwal. De t is een restant van het achtervoegsel it(h)i, zie Eekt. Een telgt was een "bos met jong geboomte/jonge eiken". Telgt werd al geregistreerd in een oorkonde van 9 oktober 806: Telgud; na 1300 volgen registraties als Tellechte en Telghede.

Wekerom De nederzettingsnaam Wekerom komt voor het eerst voor in de bosnaam Wicherumlo, die genoemd wordt in een oorkonde van 996. Een oorkonde uit 1129 noemt het bos Wechemmerlohon. Wicherum behoort tot de vroeg-middeleeuwse nederzettingen aan de zuidelijke rand van de Veluwe waartoe o.m. Heelsum, Renkum en Arnhem behoren. Evenals deze drie namen is ook Wekerom een naam die oorspronkelijk eindigde op heim, "woonplaats", zie Arnhem. Niet bewijsbaar, maar wel aannemelijk is de verklaring dat het eerste deel de boomnaam wie(c)ke, "iep", is. Andere Veluwse namen met een boom- of struiknaam zijn Eekt, Brakel en Hulshorst.


BEEKWEG in Putten (Gelderland)

De Beekweg ontleent zijn naam aan de langs deze weg lopende sprengbeek, genaamd de "Schoonderbeek". In de omgeving van de plaats waar de Beekweg op de Telgterweg uitkomt stond vroeger een papiermolen. De Beekweg wordt gekruist door het Volenbeker Voetpad. Noordelijk van deze kruising ligt de boerderij "Winkoop" of "Wijncoop". In 1738 werd de Beekweg de "Wijncopersteegh" genoemd. De boerderij was vroeger een volschuldig hofhorig abtsgoed, deel uitmakend van de goederen van de Kelnarij.

Vanaf de kruising met het Volenbeker Voetpad loopt de Beekweg in westelijke richting door en buigt vervolgens in zuidelijke richting. Voor de bocht ligt aan de zuidzijde de boerderij "Klein Roest". Voorbij de bocht slaat een zijweg in westelijke richting af, die toegang geeft tot de boerderijen "Klein Norden" (oostelijk van de spoorlijn) en "Alphert Brincksgoed" (westelijk van de spoorlijn). "Klein Norden" behoorde toe aan het Jufferenstift te Hoog Elten, het "Alphert Brincksgoed" behoorde evenals "Winkoop" toe aan de Kelnarij. (voor Kelnarij, zie verder beneden)

"Klein Norden" lag vroeger vlak naast de spoorlijn. Ter vervanging van deze boerderij werd aan de zuidzijde van de zijweg het huidige "Klein Norden" gebouwd.

Behoorden de gronden noordelijk en westelijk van de Beekweg toe aan de kloosters te Hoog Elten en Paderborn (Kelnarij), zuidelijk van de Beekweg strekten zich de gronden uit, bekend onder de naam "'t Hooft", die voorheen deel uitmaakten van een hof van de Heren van Putten. De boerderijen "De Grote Hoef" en "De Kleine Hoef" bestaan niet meer. Tot de bezittingen van de Heren van Putten, wier stamslot in Vollenhove stond, behoorden ook de thans nog bestaande boerderijen Klein Roest, Groot Roest en Stormbroek.

Jufferenstift te Hoog Elten

Rond 967 werd op de Eltenberg door graaf Wichman IV van Hamaland een vrouwenabdij gesticht, de Vitusabdij, een adellijk jufferenstift (een klooster voor adellijke dames) . Zijn dochter Liutgard van Elten werd de eerste abdis van het Sticht Elten. Onder meer grote delen van het Gooi waren vanaf 968 tot 1806 eigendom van de abdij. De Hollandse graaf Floris V kocht in 1285 van hen het recht als landsheer in het Gooi op te treden. In 1811 gaf Napoleon, die dit deel van het Rijnland bezette, het bevel tot opheffing van de abdij. Bij dit klooster is nog steeds een eeuwenoude waterbron in gebruik.

Een beetje geschiedenis rond het jufferenstift:

HAMALAND, Liutgardis van (geb. ca. 955 – gest. na 983, voor 996), abdis van het jufferenstift Elten. Dochter van Wichman II, graaf van Hamaland (reg. 952-973), en Liutgard (gest. 962).

Ergens om en nabij 970 werd Liutgardis van Hamaland door haar vader Wichman tot de eerste abdis van het door hem gestichte jufferenstift te Hoog-Elten benoemd. Gezamenlijk werkten zij aan de economische en juridische fundamenten van het nonnenklooster. In 968 en 970 stond Wichman veel van zijn eigen bezit en leengoederen af aan Elten en in 973 verzochten Wichman en Liutgard de keizer om Elten juridisch gelijk te stellen met de koninklijke kloosters te Quedlinburg, Essen en Gandersheim. Het stift kwam direct onder de bescherming van de keizer te staan en kreeg een ‘rijksonmiddellijke’ status. De Eltense kanunnikessen of juffers mochten voortaan zelf hun abdis kiezen, zij het met toe- en instemming van de bisschop van Utrecht, en – nog belangrijker – het stift verkreeg immuniteit, die het onttrok aan de rechtspraak van de graven, beschermde tegen lokale potentaten en zo het behoud van het bezit waarborgde. Liutgard deed ook nog een duit in het zakje. Na de dood van haar vader (973) schonk zij haar gehele erfdeel aan het stift. Kortom, ze was abdis van een machtig en rijk klooster.

Ondanks haar geestelijke status speelde Liutgardis een prominente rol in wereldlijke aangelegenheden. Een daarvan was de strijd om de macht in Hamaland (Gelderland, Achterhoek). Haar tegenstandster was niemand minder dan haar zus Adela. Zij kon het niet verkroppen dat Liutgardis over grote delen van het Hamalandse familiegoed beschikte, vooral omdat het Adela’s ambitie was om in de voetsporen van haar vader te treden. Een hevige strijd barstte los, waarover we zeer goed geïnformeerd zijn dankzij de kroniekschrijver Alpertus van Metz. Hij vermeldt het huwelijk van Adela met een zekere Balderik, die daarvoor een vazal was geweest van Liutgardis. Hij had toen zelfs de burcht van zijn toekomstige vrouw in de as gelegd, ‘vanwege het vele onrecht dat Adela haar zuster, vrouwe Liutgardis, steeds aandeed’ (Van Metz, 11). Alpertus vraagt zich af hoe het mogelijk is dat Liutgardis en Adela zo van elkaar konden verschillen: ‘dat men evenzoveel deugden in de een kan prijzen als gebreken aanwijzen in de ander’ (Van Metz, 11).

Zo negatief als Alpertus is over Adela, zo lyrisch is hij over de inborst van Liutgardis: ‘Liutgardis daarentegen was heel anders dan haar zuster. Zij werd namelijk allerwegen geëerd om haar edel karakter; het is niet te geloven hoe vermaard zij was, doordat ze alle deugden in zich verenigde. Gastvrijheid te verlenen was haar zo eigen, dat ze zich bijzonder verheugde als er gasten kwamen en dat evenzo, als die er eens niet waren, wat echter zelden voorkwam, droefheid op haar gezicht te lezen stond. Het is overbodig haar wijsheid te prijzen […]. Zij beschikte namelijk niet alleen over zeer grote kennis, maar ook over het waarachtige vermogen om goede raad te geven. Voor allen was zij aanspreekbaar, liefderijk voor een ieder; door ook nog veel te geven heeft zij de grootste roem verworven’ (Van Metz, 11-13) Alpertus vraagt zich ook af hoe het mogelijk was dat een vrouw, immers een ‘zwak wezen toch’, in al die goedheid zoveel genoegen vond. Volgens hem kon na haar dood geen vrouw een even voortreffelijk leven leiden.

Die dood zou Liutgardis snel vinden. Ze is volgens velen vergiftigd door haar zus, maar Alpertus is daar niet helemaal zeker van. De aanspreekbare, liefderijke Liutgardis stierf in ieder geval toen de strijd om de macht in Hamaland nog in volle gang was. Wellicht is haar dood de aanleiding geweest voor ingrijpen van hogerhand. De keizer voelde zich toen geroepen een einde te maken aan de onenigheid. In zijn palts te Nijmegen werden op 18 december 996 de partijen gehoord. Het stift Elten werd vertegenwoordigd door de opvolgster van Liutgardis, een verder onbekend gebleven abdis die dezelfde naam als haar voorganger droeg. Er werd besloten tot een heuse boedelscheiding. Adela en Balderik verkregen daardoor grote delen van het Eltense bezit. Hiermee kwam voor even een eind aan de machtsstrijd in Hamaland.

Liutgardis van Hamaland is waarschijnlijk in Elten begraven. In haar machtsstreven moet ze niet worden onderschat. Ze had evenveel ambitie als haar roemruchte zuster Adela om haar vaders machtscomplex te consolideren, zo niet uit te bouwen.

De Kelnarij
Omdat de bezittingen van de kloosters moesten worden beheerd en dit vanwege de grote afstanden (zeker in die tijd) niet mogelijk was, werd dit beheer gevoerd vanuit filialen die hof of curtis genoemd werden. De Kelnarij was de hof van waaruit het klooster Abdinckhof haar bezittingen bestuurde. 
Deze hof werd in het jaar 1031 door bisschop Meinwerck aan het klooster geschonken. Tot de hof van dit klooster heeft ook de kerk van Putten behoord. 
Aanvankelijk stond aan het hoofd van de Puttense hof de villicus, een wereldlijk figuur. 
Later werd dit beheer overgenomen door een geestelijke uit het klooster, de cellerarius. Deze term werd verbasterd tot kellenaar, vandaar dat de hof in de geschiedenis bekend is gebleven als de Kelnarij van Putten.
De laatste kellenaar van de Kelnarij was Anton Picard. Hij bleef na de opheffing van de Kelnarij nog jarenlang, tot 1843, pastoor te Putten. Picard was een zeer geliefd kellenaar en pastoor, wat wel blijkt uit het volgende citaat.  

Van de Kelnarij is nu niets meer over. Waar eens de Kelnarij van Putten stond, heeft het gemeentebestuur in 1977 een parkeerplaats laten aanleggen.

kaart van Putten in juli 2013, met in het midden van de kaart, het buurtschap Norden















1840 Inwoners: In 1840 had de gemeente Putten 430 huizen met 3.331 inwoners, verdeeld in dorp Putten 148/964 (= huizen/inwoners) en de buurtschappen Norden 21/115, Bijsteren 15/44, Halvinkhuizen 15/131, Huinen 61/688, Gerwerden (= Gerven) 16/146, Hell 38/325, Diermen 41/310, Den Hoef 48/428 en Nulde 27/180.

1872 kaart van Putten met, in het midden van de kaart, het buurtschap Norden:





















1974 kaart van Putten met, in het midden van de kaart, het buurtschap Norden:
















Merk op dat de boerderij Klein Norden is verplaatst en dat Groot Norden is verdwenen voor een groot industrieterrein, Keizerswoert. (kaart van 2013)

De boerderij Groot Norden was eigendom van eigendom van mr. F.WJ. baron Aylva van Pallandt (20/9/1826 - 27/1/1906):
- kamerheer koningin-weduwe Anna Paulowna, van 15 oktober 1849 tot 13 februari 1856
- kamerheer-ceremoniemeester des Konings, van 14 februari 1856 tot 28 januari 1871
- lid gemeenteraad van Putten
- lid Provinciale Staten van Gelderland, van 6 juli 1875 tot 1901 (voor het kiesdistrict Putten)
- lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 17 november 1884 tot 18 mei 1886 (voor het kiesdistrict Tiel)
- lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 14 juli 1886 tot 17 augustus 1887 (voor het kiesdistrict Tiel)
- lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 19 september 1887 tot 27 maart 1888 (voor het kiesdistrict Tiel)